Nieuwe website Verloren Banden

Welkom. Verloren Banden heeft een nieuwe website!
Bezoek ons op www.verlorenbanden.nl

Bent u hier om de verhalen te lezen? Scroll dan door naar beneden. Veel leesplezier.

verloren-banden-nieuwe-website

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De Wilgenhof

Het waren de transitiejaren. De vertrouwde barakken maakten plaats voor ruime, stenen onderkomens die verwaand leken neer te kijken op het oude gedeelte. De straatnaamborden glommen, de spierwitte armaturen leken op vliegende schotels en verlichtten ’s nachts de weinig betreden paden. De hofjesbuurt lag erbij als een pas uitgepakt cadeautje.

We speelden met elektriciteitskabels, isolatiemateriaal en al het overgebleven puin die door werklui zijn laten liggen. Een keer kropen we door een ventilatieschaft in een van de noodhuisjes op het veld naast de Kouwenaarspad. Voor ons kinderen was het één grote speeltuin. Het opwaaiende stof kleurde onze snot oliezwart.

Iedere zondag passeerde een grote groep mannen onze straat. Vanuit mijn slaapkamer aanschouwde ik de lange sliert supporters op weg naar de plaatselijke katholieke voetbalvereniging. Ze kruisten paden met de Molukse wijkbewoners die op datzelfde moment met een bijbel in hun hand op weg waren naar de kerk. Hun stappen liepen gelijk met het ritme van de kerkklok, terwijl iedereen die hier verder niets te zoeken had door de buurt rende alsof de aarde ieder moment open zou splijten.

Aan het begin van de avond vervolgden de supporters, sommigen van hen hartstikke teut, via dezelfde route hun weg naar huis. Tegenover ons huis leunde een man tegen een pas geplant boompje en ritste zijn broek open. ‘Effe pissen’ schreeuwde hij naar de andere gasten die snel doorliepen. Een kleine, maar zeer gedrongen oom kwam als een ninja uit het niets verschijnen en sloeg de beschonken boer in zijn gezicht. PETS! Het geluid van platte handen op een blote bips. Terwijl de man zijn blaas leegde ontving hij een verticale bitchslap.

Met een rode handafdruk op zijn bolle wangen strompelde de boer weg. Dit David en Goliath schouwspel (het was ook nog eens een zondag) speelde zich voor ons huis af. Ik had nog nooit iemand een klap zien krijgen. In de televisieseries die ik keek klonk het anders en vlogen ze spectaculair achterover. Dit ging toch even anders.

De spanning tussen de wijkbewoners en de mensen daarbuiten was op die kruising voelbaar, maar zou jaren later pas echt tot een uitbarsting komen. Verder was het een onbezorgde tijd. Ik bracht mijn dagen spelend door en at gebakken kippenvleugels voor ons huis aan de Wilgenhof.

wilgenhof-vaassen-verloren-banden

 

 

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Een reactie plaatsen

Mijn opa Koos uit de Kastanjehof

Onder zijn wijd uitlopende broekspijpen staken twee lederen puntjes uit. Grijsbruine schildpaddenkopjes die schuw de buitenwereld verkenden. Voordat hij plaatsnam trok hij bij zijn knieën zijn broek omhoog, en ontblootte zijn sierlijk bewerkte laarzen.

Mijn opa Koos was een man die uit een Quinten Tarantino film leek te zijn weggelopen: een overhemd met puntkraag, een nauwsluitend pastelkleurig pak, en een Ray Ban pilotenbril die zijn ogen beschermden tegen de dwarrelende rook uit een eeuwig brandende sigaret. Zijn voorkomen deed de indruk wekken dat hij ieder moment de auto in kon stappen en op een eenzame snelweg langs woestijncactussen een vluchtroute nam naar Mexico. Het lot bracht hem echter naar Vaassen.

Opa Koos bouwde met zijn vrouw en drie kinderen een nieuw leven op in Vaassen maar eens in de zoveel tijd kwam het verleden hem opzoeken. Dan stelde ik mezelf voor aan een dochter of zoon uit een eerdere huwelijk: een gloednieuwe oom of tante uit de grote stad, een welkome afwisseling in de dagelijkse familiesleur. ‘Op een dag kwam ik thuis en trof slechts één stoel, één bord, één lepel en één vork’, vertelde hij mij toen ik hem een keer vroeg naar zijn tijd in Rotterdam. Meer liet hij hier niet over los.

Hij reed een Opel Ascona die hij bij een bevriende woonwagenbewoner op de kop had getikt. Op een dag was hij de kleur oranje zat en kocht twee emmers witte muurverf bij een bouwbedrijf in het dorp. Met mijn vriendjes keek ik toe hoe mijn opa met behendige strijkbewegingen de verfroller over het glanzende lak liet gaan. Als een tijdmachine transformeerde hij de auto van de jaren zeventig naar de moderne jaren negentig. De druppels verf rolden naar de grond en lieten een wit, vierkant spoor achter op straat. Hij had onopzettelijk ook een parkeervak gecreëerd. De buurtbewoners parkeerden eromheen want iedereen wist, daar staat de auto van opa Koos. Na een paar uur schilderen kleurde de auto wit, niet het glanzende wit van nieuwe auto’s, maar eerder het wit als het gezicht van een Filipijnse catalogusbruid. Terwijl de auto stond te drogen in de zomerzon gaf hij ieder van ons een gulden en stak tevreden een sigaret op.

Mijn allereerste officiële vriendin was een blond meisje dat op donderdagmiddag pannenkoeken kwam eten. Mijn oma bakte ze glimlachend in de keuken. Ze leek in niets op de vrouw die in de jaren zeventig de blonde scharrels van mijn ooms met een pan achterna rende en ze hiermee de schrik van hun jonge levens bezorgde. Het meisje maakte als eerste kennis met opa Koos. Ze onderhielden een zeer gedistingeerd gesprek, wat mij verbaasde, want ik had hem nooit eerder Nederlands horen spreken. Ze giechelde zelfs een paar keer om zijn grapjes, op een manier zoals ze nooit bij mij deed. Hij stond op, streek zijn broek recht en doofde zijn sigaret in de aarde van de plantenbak; hij rookte immers stiekem. De mistige huiskamer en de volume van de tv waren het bewijs dat hij hier zojuist was geweest, dit tot ongenoegen van mijn oma die klagend de tuindeur open gooide, maar ondertussen nog wel lief glimlachte naar het meisje.

Opa Koos was een gevaar op de weg. Een man die zijn tv-debuut bij het programma ‘Wegmisbruikers’ weliswaar had gemist, maar daarentegen binnen vrienden- en  familiekring een beruchte reputatie opbouwde. ‘Hier reed opa Koos een keer zijn Opel de gracht in’ werd mij vroeger verteld. Ik stelde me dan voor hoe hij in zijn pak, zonder achterom te kijken, naar de kant zwom, terwijl zijn auto langzaam naar de bodem van het water zakte. Zwarte druppels vielen op de grond, afkomstig van de snor die hij op latere leeftijd haartje voor haartje zorgvuldig met mascara bijwerkte.

Ondanks zijn kwakkelende gezondheid was hij niet kapot te krijgen. Het maakte het mysterie rondom opa Koos juist groter: een man met een onbekend verleden, die zich permanent rokend begaf op de snelweg des levens, zonder rem en achteruitkijkspiegel. Een man waarvan je dacht dat ieder moment met hem weleens de laatste zou kunnen zijn, en door voornoemde verdraag je zijn overdreven mannelijke ongemanierdheid: het rochelen, scheten en andere machogedrag, overigens nooit waar vrouwen bij waren. Opa Koos deed me aan Michael Knight denken, zonder een hypermodern horloge en pratende auto; als zijn wagen toch eens kon praten.

Gedurende mijn jeugd ben ik omringd door mannen met gebroken dromen en verbleekte idealen. Mannen die tegen wil en dank, genoodzaakt waren een bestaan op te bouwen ver van hun vaderland. Opa Koos daarentegen was een man van de wereld, een rebel, een vrije geest. En wat een geluk dat hij me in dat kleine dorpje Vaassen, een stukje van de wereld heeft laten zien.

De laatste jaren van zijn leven reed hij een scootmobiel, een elektrisch gedreven, driewielige scooter voor ouderen met een mobiliteitsbeperking. Maar hij ging nog steeds hard. In de verte zag ik hem aan komen rijden, het geluid van een in de wind kletterende polyester trainingspak.

Mijn Opa Koos, een trots wapperende vlag.

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Getagged , , , , , , , | 7 Reacties

Badmeester Freek

Freek had een haak. Een langwerpig voorwerp in dezelfde vorm als de staf van Sinterklaas. Waar de staf vreugde en gezelligheid opriep, zaaide de haak angst en onrust.

‘Schaar! Kikker! Potlood! Ja zo gaat ‘ie goed! Ga door! Neehee! Verdomme luister eens!’

Tot mijn tiende durfde ik niet kopje onder te gaan. Huilend kwam ik thuis. ‘Hoe kun je nou bang zijn voor water? Onze voorouders waren omringd door water! Allemaal uitstekende zwemmers!’ zei mijn oma terwijl ze in een grote pan roerde. Mijn moeder troostte me, ‘Het komt wel goed…’ Aan mijn vader durfde ik het niet te vertellen, die zou de ondervragingstechniek van de geheime dienst toepassen en mijn hoofd hardhandig in een emmer koud water duwen.

Freek fietste regelmatig op de Woestijnweg. Gekleed in een korte badmeesterbroek, een wit poloshirt met op de achterkant het prijkende logo van zwembad De Koekoek, daaronder droeg hij sandalen met witte sportsokken die contrasteerden bij zijn gebruinde benen. Hij had haast. Eigenlijk had iedereen die hier niet woonde haast als ze onze buurt passeerden.

‘Hey Freek, klootzak!’ riep er iemand. Ik draaide me gauw om.

Terwijl de meeste badmeesters vanaf twee meter hoog genoten van hun lokaal aanzien én uitzicht liep Freek controlerend langs het bad. Met zijn haak graaide hij de pestkinderen bij de nek, sleurde ze het water uit en trapte ze het gebouw uit. Hoe vervelend we ons ook gedroegen – we waren de ‘kutmarokkanen’ van de jaren tachtig – er was niemand die ons hierop aansprak, zelfs Freek niet.

Ik stond in zwembadpose (een licht gebogen trillend lichaam) aan de rand van het diepe. Ver van het peutergedeelte waar ik normaal met mijn kameraadjes leunend aan de rand van het bad, de woensdagmiddagen doorbracht, stoer doen, terwijl niemand van ons in het bezit was van een zwemdiploma.

Hysterisch gillende kinderen renden, alsof ze high zijn van de chloordampen, over de natte tegels langs me heen. Te midden van al die hilariteit kreeg ik een duw in mijn rug en viel in het water.

Paniek!

Hoe ver je je benen ook strekt en hoopt dat je tenen de harde vloer raken.

Niets!

Het water brandde in de holtes van mijn gezicht. Op de meest onverwachte momenten en plekken in het dorp doemt Freek op maar waar is hij als je hem nodig hebt, dacht ik terwijl het geluid om me heen langzaam wegdoezelde.

Waar het bij de staf van Sint ontbrak aan geloofwaardigheid, bracht de haak van Freek uiteindelijk levensechte redding.

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Getagged , , | 3 Reacties

Ghetto Fighters

Ik liet mezelf binnen met het touwtje dat aan de deurklink was bevestigd.
‘Mama…mam!’ riep ik, maar geen reactie, ze was er niet.
Zelfs de stilte in huis miste haar wanneer ze weg was.

Ik smeerde een broodje pindakaas met suiker, nam plaats naast de platencollectie van mijn vader en zette mijn favoriete plaat op: ‘Journey live in San Francisco’. Een album die ik fonetisch, helemaal uit mijn hoofd kende. Zeer bewust van deze solitaire woensdagmiddag schreeuwde ik mee: ‘wenna laits go dauwn inna sitty!’

Hoewel de meeste familieleden multi-instrumentalisten waren, bespeelde ik maar één instrument: de air-guitar. Ik sprong op en neer met mijn ogen dicht, terwijl het geluid op maximale volume stond. De vloer was bezaaid met broodkorsten, de bank waarop ik stond kraakte aan alle kanten en als mijn vader op dat moment binnen zou komen kraakte hij mij aan alle kanten, maar er was nu niets belangrijker dan het publiek dat joelde en buiten zinnen was. Op het hoogtepunt sprong ik van het podium en landde met mijn knieën op de grond. Er werd op het raam geklopt, gevolgd door twee stemmen in koor:
‘Moeder van Jeftha!’

Twee vriendjes waren volledig gekleed in camouflagekleding en hadden beide een stalen constructie in handen. Een assemblage vervaardigd door een oom hier uit de wijk die van beroep lasser was. Als moderne kunstobject zou het niet misstaan in de hal van een gemeentehuis. Het had van alles kunnen zijn, maar voor ons was het, stelden we ons voor met kinderlijke panache: een machinegeweer. ‘Wat was je aan het doen?’ ‘Oh niets bijzonders’, antwoordde ik. ‘Kom, we gaan het bos in!’ Zonder de ravage op te ruimen trok ik de deur achter me dicht en hoopte dat mijn moeder eerder thuis zou komen dan mijn vader.

Op straat zag ik mijn vader en zijn vrienden staan. Ze laadden zwarte kisten, waarop in witte letters ‘Ghetto Fighters’ stond bedrukt, een bus in. Terwijl andere kinderen in die tijd opkeken naar Michael Jackson, Madonna of Bon Jovi, zo wilden wij de ‘Ghetto Fighters’ zijn: onze ooms uit de wijk die rockmuziek maakten, overal in het land toerden en bekendheid genoten binnen de Molukse gemeenschap en niet ver daarbuiten.
Op warme zomermiddagen als we uit school kwamen, zaten we met vriendjes tegen de voorkant van het huis aangeleund, dat tevens diende als oefenruimte. Gehuld in oorlogstenue, een rode band om ons hoofd en een arsenaal aan wapens, leken we kindsoldaten uit Congo die een overwinning vierden en voldaan lurkten aan flessen whisky (thee) of wijn (ranja).

Tegenwoordig wordt iedere ouder door de schoolleiding voor een gesprek uitgenodigd, wanneer zijn of haar kind met camouflagekleding aan en een stalen voorwerp in handen (naar eigen zeggen een Uzi of AK47) verschijnt en daarbij met de vuist in de lucht teksten roept als; ‘They took us away!’ of ‘I just wanna be free!’, maar toen liet het ze onverschillig, of ze durfden er niets van te zeggen. Bang voor de oudere neven en ooms die de schoolmeester een bezoekje brachten als er een kind huilend de wijk binnen liep.

De instrumenten en versterkers waren ingeladen, alle bandleden stapten met hun vrienden, waaronder mijn vader, de bus in. Ik had ze vaker zien gaan en iedere keer hoopte ik de stem van mijn vader te horen die mijn naam riep en zei dat ik mee mocht. Maar ook die dag was ik te klein, te jong en te onervaren, kortom: geen Ghetto Fighter.
En wat wist ik op die leeftijd nou over verwijdering, verlies of heimwee? Voor mij was verplicht thuisblijven en een leeg huis op woensdagmiddag het ergste wat me kon overkomen. Maar vroeg genoeg zou ik het leren, één van de onontkoombare dingen die je meekreeg, als je maar lang genoeg in deze buurt woonde.

Mijn twee vriendjes stonden voor de bus en produceerden het geluid van een ratelende machinegeweer. Met wilde gebaren hielden ze de stalen constructies omhoog, terwijl hun lichamen en lippen trilden op het ritme van de ronkende Volkswagen bus.

De bassist van de band keek uit het raam en maakte met zijn hand de vorm van een revolver, richtte het op mijn twee vriendjes, schoot twee keer en blies de sigarettenrook langs zijn wijs- en middelvinger weg.

We zagen zijn brede glimlach langzaam verdwijnen terwijl de bus de straat uit reed.

Naast me lagen de twee soldaatjes roerloos op de grond.

ghetto-fighters-onder-de-klok-van-vaassen

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Een reactie plaatsen

De stilte doorbroken

Hij zit in de keuken met zijn armen over elkaar. Met één oog kijkt hij door de glazen pot en ziet haar voor het aanrecht staan. Het beeld is troebel en de vage vormen verklappen niets van de vrouw die daar staat. Ondoorgrondelijk is ze.
De tafel is bedekt met een wit papieren laken, met hierop in reliëf diverse kerstfiguren afgebeeld. Met zijn vingers strijkt hij over de ribbels, net zolang tot ze verdwijnen.

Deze dagen leeft ze in de keuken. Het begint vroeg in de morgen. Dan slaat ze het deeg in een bak die op de grond ligt. Tegen de middag draait ze er halvemaanvormige stukjes vanaf met een glazen kop en ’s avonds zijn het krokante koekjes waar haar kleinkinderen niet van af kunnen blijven. Voor de kerst gaat dit dagenlang door tot alle plastic zakken, trommels en stopflessen vol raken. De avond voor Kerst loopt ze naar boven en kleedt ze zich om voor de kerkdienst. Het lijken twee verschillende vrouwen: De vrouw uit de keuken en de vrouw nu. Ze is gekleed in traditioneel zwart en haar glanzende haar is strak in een ‘kondè’ gebonden.

Op weg naar de kerk is het koud en houdt ze zich stevig vast aan één van haar kinderen.
Ik loop naast haar en zie dat ze het zwarte boek met haar rechterarm zo dicht mogelijk tegen zich aandrukt. We ontwijken de glinsteringen op het pad dat voor ons ligt.
Als we het gebouw binnentreden zie ik de mensen over hun schouders zo onopvallend mogelijk naar ons kijken. We zingen liederen die ik ken van school in het Maleis.
We zingen luid, maar nog harder zingen we de lof van ons samenzijn.

Een man, gekleed in het zwart, spreekt door een microfoon de aanwezigen toe.
Soms lijkt het alsof hij kwaad is, dan verheft hij zijn stem en houdt hij zijn wijsvinger in de lucht. Vanuit de kansel kijkt hij uit op de gemeenschap die in grote getale aanwezig is.
In mijn buurt is hij een eerbiedwaardige man. Hij is er op feesten, begrafenissen of als er iemand ernstig ziek is. Hij is er altijd wanneer we hem nodig hebben. Op school vroeg de juf een keer wie wist hoe God eruit zag. Een baard, Oud, Blank, werd er geroepen. Ik wist dat deze man God was. Hij had weliswaar geen baard, was niet oud en zeker niet blank, maar dit moest hem zijn. Mijn vermoedens werden bevestigd toen ik hem een keer in een spijkerbroek uit de bus zag stappen. Het klopt wat ze zeggen, dacht ik toen; God is altijd onder de mensen.

Na de dienst komt de familie bij elkaar voor de dankzegging in het ouderlijk huis.
Onze familie bestaat uit bijna honderd man, maar iedere moedervlek en zenuwtrek kennen we van elkaar. Sommige karaktertrekken worden, hoe spijtig ook, als hoofdluis van generatie tot generatie doorgegeven. Net als de kleine bloedzuigers zijn ze vaak ongewenst en omgeven door een taboesfeer. Ik zie dezelfde koppigheid van mijn tante in mijn broer en mijn neef heeft het temperament van mijn oom geërfd, daarom is hij er vanavond niet bij en viert hij Kerst met lotgenoten in een gezamenlijke ruimte, waar hij tijdens een moment van bezinning aan ons denkt en zweert dat hij nooit meer dezelfde fouten zal maken.
Toch zijn we er allemaal trots op dat we deel uit maken van deze familie.
We weten alles van elkaar en er zijn geen geheimen (zeggen we), maar in de keuken is het nieuws nog scherper en smeuïger dan de sambal op tafel.

Als alle kinderen en kleinkinderen in huis zijn tellen we de minuten af voor Kerst.
Zoals de rest van de wereld Oud en Nieuw viert, zo vieren wij Kerst. Om twaalf uur omhelzen en zoenen we alle bijna honderd familieleden. Er zit geen logisch volgorde in, maar we weten precies wie we hebben gehad en wie niet.
Buiten knalt het vuurwerk net zo hard als aan het eind van het jaar en ook binnen is het lawaai oorverdovend. Ze is het middelpunt van deze chaos, maar ze blijft de rust zelve.

Het zwarte boek. Hij heeft er ooit een keer stiekem in gebladerd.
De geur die tegemoet komt als je het opent is een combinatie van oud papier en het onbekende. Een geur, zo stelt hij zich voor, die je doet denken aan vroeger: aan Maluku, aan haar vertrek uit Nusalaut, aan de aankomst in het woonoord.
Zo ruikt het verleden realiseerde hij zich toen. Bitterzoet.
In het boek vond hij een krabbel van zijn opa die hij nooit heeft gekend. Een vergeeld papiertje met daarop in sierlijke letters geschreven. Een notitie? Een gedachte? Een kattenbel? Wie weet. Ze bewaart het alsof het haar geluk brengt.
Als hij toen wist dat ze er nu zoveel waarde aan hecht, had hij er vast wat anders op geschreven. Iets waar ze mee verder kon, zonder hem.
Wanneer de wereld vergaat is dit alles wat ze meeneemt. Het boek en de ‘Piring Nasar’ – een wit schoteltje met munten. Voor de Molukkers een directe telefoonlijn naar boven.

Ze gaat voor in het gebed. Het is stil in huis en we staan in een kring met de handen gevouwen, de hoofden gebogen en de ogen dicht. Met mijn neef maak ik er ieder jaar weer een spel van om gedurende het gebed de ogen te openen en naar elkaar te lachen.
Een geheim waar mijn ooms en tantes ons nooit op kunnen betrappen, want wat moesten zij immers met hun ogen open? Nu blijven ook zijn ogen dicht. In september is hij naar de brugklas gegaan in een stad hier vijftien kilometer vandaan. Zijn vingers zijn als rotan in elkaar gevlochten en zijn oogleden knijpt hij zo hard dicht tot er oranje vlekken verschijnen in een donker gezichtsveld. Ik kijk om me heen en zie mijn familie in de stilte staan.

Ze bidt voor haar kinderen en kleinkinderen, niet alleen hier maar ook op de Molukken, vooral op de Molukken. Daar is het nodig, zei ze ooit. Hier hebben we schoon drinkwater, een opleiding en een uitkering. Vooral het laatste benadrukte ze als, een voor haar onbegrijpelijke, vorm van luxe. Hierdoor zag ook onze familie daar het land waarin we leven als een paradijs. Het land waar je betaald krijgt voor het thuiszitten.

Het zijn de jaren tachtig en de weekenden lijken door te gaan tot donderdag, zo druk is het overdag bij ons in de buurt. Jonge mannen staan op straat en hebben, zelfs in de winter, een zonnebril op en een handdoek om de nek heen geslagen. Ze zijn vooral aan het wachten en niemand kan vertellen waarop. Werkloosheid, drugsverslaving en een niet te plaatsen onbehagen woekeren jarenlang voort, onder een deken van schaamte en stilzwijgen.
Sinds een paar maanden hebben we onze intrek genomen in warme, comfortabele stenen huizen en zien we ons oude woonoord langzaam verdwijnen. Wat rest zijn de herinneringen.

De grond onder haar trilt. Het gerinkel van glas, er liggen scherven op de vloer.
Ze kijkt naar buiten en ziet een oorlogsvoertuig het huis naderen. Daarnaast lopen mannen met helmen op en een schild voor zich. Het stalen monster baant zich grommend een weg naar binnen. Een klein moment lijkt het alsof ze in het midden van een orkaan staat.
Het is donker en stil.

Terwijl ze haar woorden spreekt in het gebed, richt ze zich zijdelings tot haar kinderen.
Dit is namelijk haar moment waarop ze kan spreken zonder weersproken te worden.
We luisteren allemaal zwijgzaam. Ze oogt kwetsbaar en fragiel, maar ze klinkt krachtig en levendig. Ze spreekt het Maleis in een vorm die ik niet versta, maar haar woorden zijn penseelstreken die langzaam een schets vormen, en de klank van haar stem maakt het herkenbaar en begrijpelijk, totdat het geheel als een doek klopt. Met kleuren zo warm dat het voor iedereen in deze kamer helder is waarom we hier staan. Ik kijk nog eens om me heen, alle ogen zijn dicht en ik wacht ongeduldig tot ik het bekende woord hoor aan het eind van haar gebed. Ze ademt een keer diep en doorbreekt de stilte:
…Amin.

Onder de klok van Vaassen 202

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Een reactie plaatsen

De geesten bleven

De oude man stond bekend om zijn duizendklappers. Hij boog zich voorover, stak met zijn sigaret de lont aan, draaide zich kalm om en liep naar de voordeur. Het rode beest op de grond klapte, gromde en bulderde. Met kronkelende bewegingen leek het op ons af te komen. We stonden verschrikt tegen de muur van het schuurtje en telkens wanneer we dachten dat de laatste knal geweest was, volgde opnieuw een salvo. ‘Nu! lopen!’ Met twee rugtassen vol explosieven renden we via een donker pad langs het bos naar de Hazelaarhof, waar mijn oma woonde en de familie samenkwam na twaalven. Een route die we nooit alleen namen, omdat achter iedere boom zich een geest schuil hield.

We namen ze mee vanuit de eilanden: de vrouw die stierf tijdens het baren en sindsdien door de nacht waart op zoek naar mannen, de kwaadaardige dwergen en andere vreemdsoortig, exotische demonen. Ik wreef mijn handen warm en zag dat hij handschoenen aanhad waarvan de vingertoppen waren afgeknipt. In zijn linkerhand hield hij een keukenaansteker vast en met de rechterhand graaide hij in de rugtas die op zijn borst rustte. ‘Vuurwerk verjaagt de geesten’ vertelde hij terwijl hij zijn astronautjes driftig in de tuinen en over hekken wierp. Het enige dat we verjaagden waren de Nederlandse gezinnen die hier kwamen wonen. De geesten bleven.

Om ons heen hoorden we, boven het geknal uit, de mensen elkaar geluk wensen voor het nieuwe jaar. De rook omsingelde ons en we keken met onze rugtassen in de hand naar de zwarte hemel, waarin gekleurde figuren ontstonden en verdwenen, alsof er confetti werd uitgestrooid boven de daken in Vaassen.


Nieuwjaarsfeest in Vaassen 1989

 

 

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Sint Herman

De Sint was één van de weinige blanke mannen in onze buurt.
Herman heette hij. In het dagelijkse leven was hij postbode. ‘Herman heb je elastieken?!’ riepen we als hij na zijn dienst de wijk binnen kwam fietsen. Hij graaide dan in zijn fietstas, haalde een handvol elastieken tevoorschijn en strooide deze op de grond. Als duiven op de Dam vlogen we erop af.

Mijn oma hield niet van Sinterklaas. Zijn Zwarte Pieten zaten met hun vieze handen aan haar pas gewassen ramen, maakten haar kleinkinderen bang, deden erg dommig en strooiden haar zojuist geveegde vloer vol snoepgoed. ‘Ten eerste wordt er niet met eten gegooid en ten tweede eten jullie niet van de grond!’ Het was duidelijk: ze begreep helemaal niets van deze Oudhollandse traditie.

Op pakjesavond werd er op het raam gebonkt. Alle kleinkinderen stopten met zingen en keken vol spanning naar de deur. ‘Kom maar binnen Sinterklaas!’ hoorde ik iemand roepen. Ik herkende Zwarte Piet meteen, ondanks de schoensmeer op zijn gezicht, de rode lippenstift en een vervalst Surinaams accent (waarom heeft Zwarte Piet een Surinaams accent, vraag ik me nu af!) Het was mijn oudere neef die vergezeld werd door enkele vrienden uit de buurt. Ook Herman kwam binnenlopen in een rood pak, die ook van de Kerstman had kunnen zijn en een mijter op zijn hoofd, hieronder een gezicht nog vromer dan de paus.

‘Dag kindertjes!’ riep hij met een zware stem.

‘Herman, koffie, thee??’ vroeg mijn oma.

 

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Meer dan toekomstmuziek

In de hoek van de woonkamer stond altijd een gitaar. Zo’n roodbruine akoestische die ieder jaar kleiner leek te worden. Als kind zette ik de enorme houten klankkast op mijn schoot en trok willekeurig aan iedere snaar, terwijl mijn hoofd op het gat leunde. Het geluid dreunde door tot diep in mijn borstkas. Ik mocht alles proberen, als ik maar niet aan de parelmoeren stemmechanieken kwam.

Muziek speelt een belangrijke rol in ons gezin. We voelen elkaar het beste aan op de momenten dat we samen zingen. We leven op een primitieve manier zonder luxe, maar wat er niet is mis je ook niet. Er is een oude viool, ooit op de rommelmarkt gekocht, een trompet en een gitaar. Op een winteravond waren alle barakken in het woonoord ondergesneeuwd en waren al mijn broers en zussen genoodzaakt thuis te blijven, er lag een dikke pak sneeuw voor de deur. Die avond werd er gezongen en de instrumenten bespeeld. Het was de laatste keer dat het gezin compleet was en alles klopte, het was een avond waarvan je hoopte dat het nooit over zou gaan. Iedereen die in groepsverband ooit muziek heeft gemaakt begrijpt wat ik bedoel, de juiste timing, elkaar aanvoelen, de energie die vrijkomt. Walt Disney had wat betreft sfeer deze laatste avond niet kunnen overtreffen. Buiten zag het woonoord wit van de sneeuw en waren er geen vormen te bekennen. Het was donker, koud en de gure wind blies een ijzig fluitconcert.

We communiceren zonder te praten. We praten niet, althans geen gesprekken zoals de Nederlanders hebben, over het weer, de economie of sport. Politiek, daar werd wel over gepraat en iedereen deelt daar dezelfde mening over: We steunen ons regering in ballingschap, punt uit. Ook wordt er niet gepraat over je problemen, iets wat we allemaal hebben geërfd van de patriarch van de familie, een militair die pijn, verdriet en teleurstellingen in het leven mee het graf in nam.

Op het moment dat mijn vader dood neerviel in de tuin liet hij mijn moeder met acht kinderen achter. Getroffen door een hartaanval. Tot diep in de nacht schreef hij liederen voor de kerk, hij leefde op koffie en sigaretten, volgens mijn moeder stopte hij liever met ademen dan met roken. Hij componeerde tot hij erbij neerviel. ‘Een laatste lied’, hij heeft dit begrip een ander dimensie gegeven. Wanneer iemand sterft klampt het leven zich krampachtig vast aan alles om hem heen. De warmte is de minuten hierna nog te voelen in de kleding of het matras en langzaam geeft het zich over aan de dood. Mijn vader was een man die zich zijn hele leven niet overgaf. De Jappen hadden hem ooit met zijn knieën over het scherpe grind laten kruipen, omdat hij weigerde op het portret van de koningin der Nederlanden te spugen. De littekens herinnerden hem aan zijn trouw en standvastigheid. Mijn moeder hield zijn warme overhemd tegen haar gezicht aan en depte haar tranen. Verbijsterd bleef ze achter.

De jaren hiervoor zijn onvoorspelbaar geweest voor ons gezin, ruig en nietsontziend als de zee op weg hiernaartoe. We leefden aanvankelijk met een ander Moluks gezin in een oude officiershuis, toen het aanbod kwam om groter te wonen verhuisden we naar dit woonoord, ooit opgezet om de arbeiders te huizen die in de fabrieken werkten van dit kleine plaatsje aan de rand van de Veluwe. Hier woonden we met meerdere lotgenoten en deden we de dingen die ons doen denken aan de plek die mijn ouders hebben verlaten. Er was een eigen kerk en een arts die onze taal sprak. Op warme zomerdagen leek het of ze thuis waren. Alsof ze de zee kunnen horen als ze goed luisteren, als het even heel stil was. Maar het was nooit stil. Altijd was er het geluid van een blaffende hond, de kerkklok, de echtelijke ruzies of een huilend kind. De woningen werden gescheiden door dunne planken dus alles was te horen. Er woonden teveel mensen in dit godvergeten woonoord.

Mijn vader liet niets van materiële waarde achter . Zijn groen metalen soldatenkist ligt onuitgepakt onder het bed, met hierop in zwarte verf zijn achternaam geschreven. Mijn moeder zegt geen woord en toont haar gevoelens niet, maar ’s nachts hoor ik haar huilen. Hoeveel kinderen ze ook heeft, ze heeft er inmiddels negen, en hoeveel familieleden en vrienden er ook om haar heen wonen, de eenzaamheid is van een ander kaliber. Ooit verliet ze samen met hem haar land en de mensen die ze dicht in haar hart draagt, die er echt toe doen. Ze zouden voor een paar maanden gaan, hoogstens drie. Dit werden er zes en toen weer negen, nu is ze nog steeds hier. We groeien op in een schemerwereld, zonder vader en zonder vaderland. Met een moeder die alle liefde van de wereld behelsde, maar zonder de sterke hand van een vader.

De muziek bleef, dit had hij wel achtergelaten. Muziek verbindt, geeft hoop, heelt en raakt ons diep binnen op de plekken die we vergeten zijn. De plekken die we negeren. Het herinnert ons aan de kindertijd, de onschuld. Op zijn begrafenis zongen we het lied dat hij had geschreven. Wanneer je een lied voor het eerst zingt kerf je een naam in een boom, en hoe vaker het gezongen wordt des te dieper en donkerder het opschrift wordt. Tot er herkenning ontstaat.

Wij waren hier.

Ik hoor vogels schel tjilpen op de achtergrond en voel mijn ogen steeds zwaarder worden. Ze draagt me en voorzichtig schraapt ze haar keel want ik slaap, althans ik doe alsof. Ze neuriet het lied dat mijn opa ooit schreef voordat hij stierf. Zijn laatste lied. Een herkenbaar melodie in mijn familie, wellicht geschreven voor het geval we ooit de weg kwijtraken, of elkaar, in het land van een vreemde. Hij liet een kompas voor ons achter in de vorm van een notenbalk, een ritmekaart.

Muziek toen geschreven, voor nu en de toekomst.

 

 

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | 5 Reacties

Positive Direction

Het allereerste optreden van de familieband was bevestigd. Sindsdien trok er iedere vrijdagavond vanaf het huis van mijn oma een karavaan met instrumenten naar het houten noodgebouw dat ingericht was als studio. Deze oefenruimte behoorde toe aan Waspada: een drughulpverleningsorganisatie met voornamelijk Molukse clienten dat verborgen lag achter een stalen omheining, tussen de hoge dennenbomen, ergens aan de rand van het dorp.

‘Ok, Chaka Kan, Tell me something good’, riep mijn oom. Waarop de drummer aftikte en het juiste ritme aangaf. De bas en gitaar volgden simultaan. Mijn moeder bladerde normaal gesproken in haar map op zoek naar de songteksten, maar dit nummer kende ze uit haar hoofd. Ze zong het in de keuken, het toilet en tot mijn grote ergernis, zelfs op de fiets. ‘Andere moeders doen dat niet, ik schaam me kapot’, riep ik vanaf de bagagedrager.

‘You ain’t got no kind of feeling inside’, zong ze. Haar stem vulde zich als warme lava in iedere kier en spleet van de ruimte waar we in zaten; een plek die naarmate de avond verstreek, door de stem van mijn moeder, steeds meer voelde als thuis.

Die nacht lag ik met piepende oren in bed, opgewonden van het avontuur waar we met zijn allen indoken, want zo voelde het echt; terwijl andere families samen een vakantie doorbrachten, vormden mijn verwanten een bandje: Positive Direction.

Ik droomde die nacht over het circus; koorddansers sprongen door brandende hoepels en leeuwen balanceerden op een strakke lijn.

Geplaatst in Verhalen uit het verleden | Getagged , | Een reactie plaatsen